Nominatief – de eerste naamval

Alle dingen, zaken, personen, processen en gebeurtenissen die slechts genoemd zijn staan in de eerste naamval. De eerste naamval komt voor als onderwerp en naam- woordelijk deel van het gezegde.

Het onderwerp van de zin staat altijd in de eerste naamval:

  • Я идý домóй. – Ik loop naar huis
  • Дéвочки танцýют на ýлице. – De meisjes dansen op straat/buiten.

In combinatie met het koppelwerkwoord быть (zijn) in de tegenwoordige tijd staat het naamwoordelijk deel van het gezegde in de eerste naamval:

  • Егó брат – журнали́ст. – Zijn broer is journalist.
  • Онá краси́вая дéвочкаZij is een mooi meisje.

Merk op dat in de tegenwoordige tijd het werkwoord zijn achterwege blijft. Wanneer het onderwerp en het naamwoordelijk deel van het gezegde beide een zelfstandig naamwoord zijn, staat er een gedachtestreep tussen. Wanneer het onderwerp een persoonlijk voornaamwoord is, wordt de gedachtestreep weggelaten.

De ‘basisuitgangen’ (hard en zacht) van het zelfstandig naamwoord in de eerste naamval enkelvoud zijn te zien in het schema hieronder. Een uitgebreider overzicht per woordgeslacht is hier te vinden. De gebruikte woorden zijn hetzelfde als in Паспорт в Россию.

  mannelijk vrouwelijk onzijdig  
hard zacht hard zacht hard zacht
Enkelvoud
uitgang -a -o -e
voorbeeld журнáл рýбль газéта недéля винó мóре

Genitief – de tweede naamval

    Geef een reactie

    Informatie

    Dit artikel is geschreven op 07 mei 2012, en is gearchiveerd onder Naamvallen.

    Tags

    , , , ,